De patiënt legt niet altijd de link tussen cognitieve klachten en de kankerbehandeling. In de meeste gevallen hebben de cognitieve klachten te maken met de algemene impact van de ziekte en de behandeling op de patiënt, dus met een combinatie van factoren. Ze treden vaker op naarmate de patiënt een uitgebreidere – lees: medisch zwaardere – behandeling heeft gekregen.
Patiënt geruststellen
Als zorgverlener kan u benadrukken dat cognitieve moeilijkheden door chemotherapie zeker niet bij iedereen voorkomt. De term chemobrein wordt vaak ten onrechte veralgemeend. Ook kankerpatiënten die geen chemotherapie kregen, kunnen af te rekenen krijgen met zulke klachten.
U kan de patiënt ook geruststellen: kankergerelateerde cognitieve disfunctie is geen progressieve aandoening, in tegenstelling tot bijvoorbeeld dementie. Alleen bij hersentumoren kan dat wel het geval zijn. Patiënten kunnen er dus zelf mee aan de slag en de klachten kunnen verbeteren.
Het verloop van de cognitieve klachten is onzeker. Door het natuurlijk hersteleffect mag de patiënt een verbetering verwachten nadat de behandeling is afgerond. Maar tot op welk niveau het herstel optreedt, is onduidelijk. Enkele studies tonen aan dat voor bepaalde patiëntengroepen het natuurlijke hersteleffect heel miniem is. Bv. voor borstkankerpatiënten die chemo kregen, gevolgd door endocriene therapie.