Veranderingen in alle cognitieve domeinen
Iedereen heeft wel eens moeite om zich te concentreren of vergeet al eens een naam, maar cognitieve disfunctie na kanker behelst een breed gamma aan waargenomen veranderingen in alle cognitieve domeinen:
- concentratie en aandacht
- executieve functie: planning, beslissing, taken uitvoeren
- geheugen en verwerkingssnelheid van informatie
Na de therapie verbeteren de cognitieve problemen doorgaans. Toch blijkt uit onderzoek dat tot 20 procent van de patiënten er nog jaren mee wordt geconfronteerd. De subjectieve perceptie van de patiënt wordt in dit cijfer niet meegenomen, in realiteit ligt het dus veel hoger.
Grote impact
Veel patiënten merken de veranderingen pas echt op wanneer ze voldoende fysiek hersteld zijn van de behandeling en hun normale leven en werkzaamheden weer willen opnemen. De klachten zijn subjectief en voor de omgeving niet altijd merkbaar, maar ze kunnen wel een grote impact hebben op de patiënt zelf en op de mogelijkheden tot herstel. Denken we maar aan een vlotte werkhervatting. De problemen worden vaak onderschat en zijn moeilijk te objectiveren.
Getuigenis
‘Ik ben verschrikkelijk vergeetachtig geworden, ik lijk af en toe wel dement. Zaken die ik niet opschrijf, vergeet ik. Mijn kortetermijngeheugen is een flop. Als ik iets wil vertellen, vergeet ik wat ik wilde vertellen en hoe ik het wilde vertellen.’
Oorzaken
Onderzoek richt zich op de verschillende ontstaansmechanismen van de cognitieve klachten. Zo kunnen specifieke biologische mechanismen, veroorzaakt door de kanker of de kankerbehandeling mee aan de oorzaak liggen.
- Directe neurotoxische beschadiging door chemotherapie:
Bepaalde cytostatica (bv. 5-FU) kunnen door de bloedhersenbarrière dringen en een beschadigend effect hebben op de neuronale cellen. Daardoor kan informatie minder goed worden overgedragen en kan de patiënt moeilijker informatie verwerken. Onderzoek moet nog verder uitwijzen of het gaat over op zich staande cytostatica of over bepaalde combinaties. - Hormonale veranderingen (chemo-geïnduceerd of hormonale therapie):
Tamoxifen, hormonale medicatie bij borstkanker, kan de cognitie beïnvloeden door zijn effect op het oestrogeensysteem, maar ook op neurotransmitters en cytokines. Patiënten onder hormonale therapie moeten vaak lang Tamoxifen nemen. Daarom een warm pleidooi om de nodige aandacht te schenken aan hun cognitie. - Te hoog gehalte aan cytokines:
Cytokines zijn proteïnen die vrijgesteld worden door geactiveerde immuuncellen in respons op inflammatie, stress of directe schade aan neuronen. Een te hoog gehalte aan cytokines leest het lichaam als signaal van ziekte en resulteert mogelijk in een verminderd cognitief functioneren. - Te hoge cortisolwaarden:
Ook verhoogde niveaus van cortisol kunnen een negatief effect hebben op het cognitief functioneren. - Laag aantal rode bloedcellen:
Bij een patiënt met een laag aantal rode bloedcellen kunnen ernstige vermoeidheid en concentratiestoornissen optreden. - Chirurgie en radiotherapie:
Ook na een behandeling met chirurgie en radiotherapie ter hoogte van de hersenen of het hoofd-halsgebied kunnen cognitieve stoornissen optreden. - Algemene gevolgen van de ziekte of de behandeling:
Bv. slaaptekort, pijn, stress, overprikkeling, angst of neerslachtige gevoelens kunnen cognitieve klachten versterken of zelfs veroorzaken. Patiënten met cognitieve klachten blijken ook meer angst te ervaren, wat de klachten mogelijk verergert. - Patiëntgerelateerde factoren:
Bv. leeftijd, voorafgaand functioneren, opleiding, intelligentie en genetica spelen een rol in hoe de patiënt de cognitieve disfunctie ervaart. Die verschillende mogelijke mechanismen onderstrepen het belang van een holistische benadering van de patiënt.
Subjectieve klachten en objectieve stoornissen
We maken een onderscheid tussen subjectieve cognitieve klachten en objectieve cognitieve stoornissen.
- Subjectieve cognitieve klachten hebben betrekking op de door de patiënt aangegeven klachten in het dagelijkse leven. U kan ze afleiden door zelfrapportage van de patiënt.
- De cognitieve prestatie kunnen we objectiveren met neuropsychologisch onderzoek.
Niet per se in relatie met elkaar
De klachten die de patiënt rapporteert, worden niet per se bevestigd door neuropsychologisch onderzoek en staan niet altijd in relatie met objectieve stoornissen.
Een patiënt die cognitieve moeilijkheden ondervindt, scoort dus niet altijd slecht op een neuropsychologische test. Die test is immers een momentopname. De score wordt bepaald door cognitief vermogen, maar in sterke mate ook door motivatie en inspanning.
Focus op de subjectieve klachten
De test kan wel belangrijk zijn om de prestatie zelf objectief te evalueren en eventueel te relativeren, maar voor de patiënt spelen uiteindelijk alleen de subjectieve ervaringen en problemen in het dagelijkse leven een rol.
Laat ons daarom in eerste instantie focussen op de subjectieve cognitieve klachten en kijken wat de impact ervan is op het dagelijkse leven. Hou daarbij ook altijd rekening met de ervaringen van de partner of de familieleden die dicht bij de patiënt staan en die veranderingen in cognitie kunnen opmerken.