De anatoompatholoog onderzoekt de kwaadaardige cellen nauwkeurig onder de microscoop. Zo kan de arts met zekerheid het type tumor bepalen. Dat is belangrijk om de juiste behandeling te plannen.
We maken in de eerste plaats een onderscheid tussen een in situ en een invasieve borsttumor.
In situ borsttumor
Bij een in situ of niet-infiltrerende borsttumor is de tumor beperkt tot de melkgangen of melkklieren. Als de tumor zich in de melkgangen bevindt, spreken we over het ductaal carcinoom in situ (DCIS). Zit de tumor in de melkklieren, dan is er sprake van het lobulair carcinoom in situ (LCIS).
Een in situ borsttumor is het voorstadium van borstkanker. De tumor heeft zich nog niet verspreid in het omliggende borstweefsel, er is geen risico op uitzaaiingen via de lymfeklieren of bloedbaan.
Invasieve borsttumor
Als de kwaadaardige cellen het omliggende borstweefsel hebben geïnfiltreerd, spreken we van een infiltrerend of invasief carcinoom.
Ook hier kijken we naar de oorsprong van de tumor om het type borstkanker te bepalen. Het ductaal carcinoom is ontstaan vanuit de melkgangen en komt het vaakst voor. Het lobulair carcinoom kent zijn oorsprong in de melkklier. Daarnaast bestaan er nog een aantal andere zeldzamere vormen van borstkanker.
Risico op uitzaaiingen
Bij een invasieve borstkanker kunnen de kwaadaardige cellen binnendringen in de lymfe- en bloedvaten van de borst. Lymfevaten kan je vergelijken met bloedvaten, maar ze vervoeren lymfevocht in plaats van bloed.
Het risico bestaat dat kwaadaardige cellen met het lymfevocht worden meegevoerd naar de lymfeklieren in de oksel, onder het sleutelbeen of achter de ribben. Die ontsnapte cellen kunnen vervolgens via de bloedbaan andere plaatsen in het lichaam bereiken. Zo kunnen bijvoorbeeld in de longen, de lever of het bot groepjes kwaadaardige cellen worden gevormd. We spreken van uitzaaiingen of metastasen. Bij de diagnose is er meestal nog geen sprake van uitzaaiingen.
De uitzaaiingen bepalen mee het stadium van de borstkanker. De behandeling en het doel van de behandeling hangen van het stadium af. Daarom voeren we na de diagnose meestal stadiëringsonderzoeken uit.