Nucleaire onderzoeken worden gebruikt om bepaalde ziekten op te sporen. Een nucleair onderzoek wordt ook wel scintigrafie of (radio)isotopenscan genoemd.
- De patiënt krijgt een kleine hoeveelheid van een radioactief gemaakt product toegediend. Deze producten noemen we ‘tracers’ (van het Engels: to trace = opsporen). Meestal wordt de tracer via een ader in de bloedbaan toegediend. Soms kan de tracer worden ingeademd of zelfs verwerkt in een maaltijd of drank.
- De radioactieve stoffen volgen een weg door het lichaam en stapelen zich op bepaalde plaatsen op.
- Met een uitwendige scanner of gammacamera wordt de verspreiding van de radioactieve stof in het lichaam of in een bepaald orgaan nagegaan. De beelden geven informatie over de werking van de onderzochte organen of lichaamsdelen en de uitgebreidheid van bepaalde aandoeningen.
- De scan wordt soms onmiddellijk na de toediening van de tracers gemaakt. Bij sommige onderzoeken gebeurt dat enkele uren of zelfs dagen later.