Een transurethrale resectie (TUR) van de blaas is een ingreep waarbij de uroloog één of meer letsels in de blaas via de plasbuis verwijdert.
Waarom voeren we een TUR uit?
Een TUR van de blaas is tegelijk een behandeling en een onderzoek.
Tijdens de ingreep verwijdert de uroloog de zichtbare letsels in de blaas. Daarna onderzoekt de patholoog het weggenomen weefsel in het laboratorium. Zo stellen we vast of de letsels goedaardig of kwaadaardig zijn.
Zijn de letsels kwaadaardig? Dan onderzoeken we ook:
- hoe agressief de tumor is
- hoe diep de tumor in de blaaswand is gegroeid
Die informatie helpt om te bepalen of een bijkomende behandeling nodig is. Ze geeft ook een inschatting van de kans dat de tumor terugkomt of verder doorgroeit in de blaasspier.
Hoe verloopt de ingreep?
Voor een TUR van de blaas moet je zes uur nuchter zijn. Je mag dus zes uur voor de operatie niet meer eten, drinken of roken.
Je wordt opgenomen op de verpleegafdeling. Meestal blijf je een nacht in het ziekenhuis.
De ingreep gebeurt onder volledige verdoving of met een ruggenprik (spinale verdoving). Via de plasbuis verwijdert de uroloog de letsels in de blaas met een elektrische lus. Die sturen we daarna naar het laboratorium voor onderzoek.
De ingreep duurt ongeveer 20 tot 60 minuten. Dat hangt af van het aantal en de grootte van de letsels.
Soms gebruiken we tijdens de ingreep fluorescentie. Ongeveer één uur vóór de operatie brengen we via een sonde een speciale vloeistof in de blaas. Die wordt anders opgenomen door gezonde cellen dan door tumorcellen. Wanneer de uroloog de blaas met blauw licht belicht, lichten bepaalde tumoren roze op. Zo worden ook letsels zichtbaar die met gewoon licht moeilijk te zien zijn, zoals een carcinoma in situ.
De vloeistof moet ongeveer één uur in de blaas blijven. Daardoor kan je plasdrang voelen. Probeer toch niet te plassen.
Wat gebeurt er na de ingreep?
Na de operatie blijft tijdelijk een blaassonde zitten. Zo kan de urine vlot uit de blaas wegstromen. De sonde doet meestal geen pijn, maar veel mensen ervaren ze wel als onaangenaam.
Soms sluiten we de sonde aan op een spoelsysteem. Daardoor blijft de blaas voortdurend gespoeld en raakt de sonde niet verstopt door bloedklonters. Zodra de urine weer helder is, stoppen we de spoeling.
Bij sommige patiënten dienen we enkele uren na de ingreep via de blaassonde een blaasinstillatie met chemotherapie toe. Die behandeling verkleint de kans dat oppervlakkige blaaskanker terugkomt.
Wanneer is een tweede TUR nodig?
We plannen soms kort na de eerste ingreep een tweede TUR van de blaas, bijvoorbeeld:
- als het labo vaststelt dat de tumor mogelijk niet volledig werd verwijderd
- als er mogelijk nog microscopische tumorcellen zijn achtergebleven die tijdens de operatie niet zichtbaar waren
- als de tumor erg agressief is of diep in de blaaswand groeit