Bij een niertransplantatie wordt een nier van een donor getransplanteerd in een patiënt van wie de nieren niet goed meer werken. De donor kan een levende persoon zijn die één van zijn twee gezonde nieren afstaat. Hij kan ook een hersendode persoon zijn van wie organen nog goed functioneren.
Levende donor
Bij een kind is meestal een familielid de donor. De potentiële donor ondergaat een psychologische evaluatie. Hij wordt daarna grondig medisch onderzocht, om zeker te zijn dat de ingreep en het verlies van een nier hem geen schade zal toebrengen.
Hersendode donor
Voor kinderen die geen geschikte levende donor hebben, kunnen we organen van hersendode patiënten gebruiken. Die organen worden toegewezen via een complex maar rechtvaardig systeem dat rekening houdt met de overeenkomst tussen de weefsels van de donor en de ontvanger.
Dat systeem wordt gecoördineerd door Eurotransplant, een organisatie waarin de transplantatiecentra van acht landen samenwerken: België, Duitsland, Hongarije, Kroatië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk en Slovenië.
De vraag naar een ruilnier is groter dan het aanbod. Er is dus een wachtlijst.